De liedjes, of beter gezegd de teksten van Willem Wilmink, staan het collectieve geheugen van generaties Nederlanders gegrift. Wie kent Deze vuist op deze vuist en het Broodje Poep uit De Film van Ome Willem niet? Welke rechtgeaarde ouder heeft samen met zijn kinderen niet naar het Sesamstraat en Klokhuis gekeken waar Meneer Aart, Gerda, Fetze Alsvanouds en de orgelman zijn teksten op muziek van Harry Bannink zongen? In de leesbare en ‘eerlijke’ biografie laat Elsbeth Etty zien dat Willem Wilmink altijd kind gebleven is, in zijn werk én privéleven.

 Samen Het Klokhuis kijken 1998

Willem Wilmink werd geboren in 1936 in de Indische buurt tegen het centrum van Enschede. Het was een wijk voor de gegoede arbeider, werkzaam in de fabrieken van textielstad. Zijn vader had een leidinggevende functie bij textielfabriek ‘Holland’ en Willem werd ‘overbeschermd’ opgevoed door zijn ouders. Dat leidde ertoe dat hij zich in de normale mensenwereld niet op zijn gemak voelde en moeite had met socialiseren. Op de middelbare school leerde hij van een klasgenoot hoe zijn rug af te drogen omdat zijn moeder dat thuis altijd deed. Op latere leeftijd uitte hij zijn onzekerheid door in gezelschap monologen af te steken en bij het minste of geringste driftig te worden.

In de laatste jaren van de tweede wereldoorlog werd Enschede regelmatig gebombardeerd door de geallieerden. Willem doorstond angstige momenten in de schuilkelders en werd op weg naar huis geconfronteerd met de dode lichamen van volwassenen en kinderen. Het maakte diepe indruk op hem. Hij verwerkte dit door omkering: traumatische gebeurtenissen versimpelen en er iets positiefs-grappigs van maken. Het werd zijn kenmerkende werkwijze als dichter. Zijn jeugd was zijn referentiekader. Op lagere-school-leeftijd vielen lichaam en geest bij Willem samen. In wezen is hij altijd dat kind gebleven. Hijzelf zag zichzelf als een dichter voor volwassenen; de buitenwereld hém als kinderdichter.

 In Café Het Bolwerk

In 1959 overleed Willems vader. Gedwongen ontslag door dubieuze handelingen met geld en vrouwen leidde indirect tot zijn dood. Een overmatig gebruik van alcohol bestendigde zijn vroege overlijden. Ook Willems leven stond in het teken van de ‘gele rakkers’. In Amsterdam en Enschede had hij zijn vaste adresje waar hij iedere dag 6 beugels Grolsch kocht. Werkoverleg met Joost Prinsen, Aart Staartjes en Harry Bannink liep beter wanneer hij Duvels dronk. Een wandeling door de binnenstad eindigde steevast in een café – in Enschede Het Bolwerk, zijn stamcafé. ‘Marietje Grolsch’ zorgde voor een slechte conditie maar ook voor prachtige gedichten:

Op nen dag

Op nen dag dreenk iej gin Grolsh meer …

Loop iej nich meer deur de stad

Al oew’ wille en al oew hartzeer

he’j dan had.

Zijn troebele oogopslag verried niet alleen zijn alcoholconsumptie maar ook zijn diepe onzekerheid. Twijfel over zijn schrijverschap, angst voor miskenning in het Amsterdamse schrijverswereldje, mislukte relaties met vrouwen maakten van hem een onzeker en sociaal onhandig mens. Zijn favoriete versiertaktiek bestond daaruit dat hij de uitverkorene pootje haakte om dan al vallend met haar op sofa of bed te belanden. Om indruk te maken schreef hij  liefdesgedichten waarbij de beminde het idee kreeg dat zij meer een figurant in een gedicht was dan een vrouw van vlees en bloed. En hij bleef een Twents boertje in Amsterdam: altijd dezelfde groene loden jas en de ’n die hij inslikte.

 Straat in Amsterdam waar Willem woonde

Kees Fens formuleerde het bij de uitreiking van de Theo Thijssenprijs als volgt: Willem Wilmink is in drie opzichten een immigrant: als Twent in het westen des lands, als kind in de volwassen wereld en als liedjesschrijver in de poëzie. Hij mag ouder worden als hij maar niet volwassen wordt. En volwassen werd hij nooit. Een file, het geluid van een straaljager, een rood stoplicht of een vrouw die hem tegensprak, konden hem doen ontploffen. Zijn zoon Michel dacht een week lang dat hij een zaag cadeau kreeg voor zijn verjaardag omdat Willem zei dat zij er één nodig hadden om de onderbuurvrouw door midden te zagen. Hij kon uren mopperen en tieren, vervolgens stilvallen om in alle rust op tv naar een voetbalwedstrijd van Fc Twente te kijken, om na het laatste fluitsignaal zijn kanonnades voort te zetten. Godverdomme was het meest gebruikte woord in zijn vocabulaire.

 Wobke

Als fall out van de jaren zestig hadden Willem en zijn eerste vrouw Noor een vrij huwelijk. Willem was kinderlijk jaloers dus dat liep spaak. Na zijn scheiding ontmoette hij in 1979 Wobke, de liefde van zijn leven. Bij haar en haar dochters vond hij rust. Hij zegde zijn baan bij de universiteit van Amsterdam op en keerde in 1991 met haar terug naar de straat, naar de stad van zijn jeugd. Twente ontving hem met open armen, aan werk geen gebrek. De enorme knallen tijdens de vuurwerkramp in 2000 dreven hem tot aan de rand van waanzin maar een paar dagen later schreef hij op verzoek van burgemeester Mans een historisch gedicht: 

Een buurt, die wel veel zorgen had,
maar die ook vol verhalen zat,
vol humor en gezelligheid,
die buurt zijn we voor eeuwig kwijt.

Daar waar het vol van kinderen was,
verschillend van geloof en ras,
maar in hun spel gelijkgezind
loopt nu geen enkel kind.

In de oorlog stond de stad in brand
op Pathmos, Zwik en Hogeland:
meer dan een halve eeuw nadien
kun je daarvan nog sporen zien.

Nu is, in de heerlijke maand mei,
bij vogelzang, zo vrij en blij,
de stad opnieuw iets aangedaan
dat nooit en nooit voorbij zal gaan.

Arm Enschede, verberg je in
de armen van je koningin
en huil, want daar is reden voor
en huil dan maar aan één stuk door.

Drank en zijn onafscheidelijke North-State-sigaretten hebben zijn lichaam dan al grotendeels gesloopt. Op een door hem verkozen moment in augustus 2003 sterft hij in het bijzijn van zijn naasten. Ondanks zijn nukken was Willem een een geliefd en sympathiek persoon. Hij was bang om als schrijver vergeten te worden maar het tegendeel is waar: een school, een plein, een prijs zijn naar hem vernoemd. En zijn gedichten zijn nog regelmatig op radio en tv te horen. Willem Wilmink, te vroeg gestorven maar onsterfelijk, als kinder- én volwassen dichter. Mijn favoriete gedicht is Ben Ali Libi, indringend voorgedragen door Joost Prinsen:

Elsbeth Etty – In de man zit nog een jongen. Willem Wilmink. Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar.