Ik ben een moetje. Dat wil zeggen: mijn ouders moesten trouwen. Het huwelijk werd in mei in Raalte voltrokken en in december van dat jaar werd ik geboren. In die tijd gold dat als een schande maar ik was en ben er blij mee. Mijn vader kwam uit een hervormd-socialistisch gezin en mijn moeder had in Nederlands-Indië door de nonnen het geloof ingestampt gekregen. Dat laatste gaf de doorslag: afgesproken werd dat ik een gedegen rooms-katholieke opvoeding zou krijgen, enkele dagen later bevestigd door de koude pets water die ik in ‘De kerk van de Heilige Kruisverheffing’ over mijn hoofd kreeg – ‘doop’ geheten. Enkele jaren later verhuisden we vlak na geboorte van mijn broertje naar Enschede: mijn vader werd vliegtuigmonteur op de Vliegbasis Twente.

 Kardinaal de Jongschool

Als gezin van een beroepsmilitair kregen wij een spiksplinternieuwe flat toegewezen aan de Rembrandtlaan 149. En daar begon de ellende: ik ging niet naar de openbare Rembrandtschool vlak om de hoek maar moest naar de katholieke Kardinaal de Jongschool een paar kilometer verderop. Voor een kind van zes was dat een flink eind lopen. Onderweg kwam ik langs de St. Michaelskerk waar ik ook nog een blauwe maandag misdienaar was – tot en met het misdienaarreisje. Op mijn negende wilde ik bij voetbal en na lang soebatten mocht ik dat van mijn moeder, maar dan wel bij een katholieke voetbalclub! Niet bij het nabijgelegen Rigtersbleek maar bij het R.K. VOSTA – aan de andere kant van de stad. En daar ging ik als kleine jongen op de fiets: via de Bruggertstraat, de Parkweg (langs de joodse slager), de Molenstraat, de St. Jozefkerk en de Minkmaatstraat naar het laaggelegen Scheurserve. Ik was al nat bezweet voordat de training of de wedstrijd begon! Maar het werd nog erger: uit de CITO-toets bleek dat ik naar de H.B.S. kon. En natuurlijk niet naar het Ichthus Lyceum op de hoek van onze straat, daar gingen de ketterse protestanten heen! Als katholieke eliteschool gold in Enschede het Jacobuscollege, gelegen – u raadt het al – aan de andere kant van de stad. En daar ging ik weer op mijn fietsje (voor mijn kinderen: zonder elektrische aandrijving en met een dynamo die weinig licht gaf maar wel flink afremde): via de B.W. ter Kuilestraat, de Haaksbergerstraat, de Gertfertsingel (en over de Gertfertbrug!), Varvik- en Hogelandsingel, afslaand bij de Arienskerk richting de school van pater-directeur Tops. Twee dagen in de week vertrok ik ’s morgens om half acht naar school, kwam tegen 5 uur thuis om na het eten weer op de fiets te stappen voor de training. Dat betekende bijna 3 uur per dag op de fiets zitten en dat alles door en voor ‘Ons-lieve-Heertje’, zoals mijn moeder ‘Hem’ liefkozend noemde.

 Brug Getfertsingel

Als kind geloofde ik in god. Godsgeloof bestaat voor 90 procent uit indoctrinatie en ik was vroeger een brave jongen; ik wilde mijn moeder geen verdriet doen. Maar tijdens die lange ritten door weer en wind begon de gerede twijfel – die mijn vader achter de rug van mijn moeder uitsprak – langzamerhand post te vatten. Zo’n eind fietsen en dat door een volstrekt ongeloofwaardig tweeduizend jaar oud verhaal! Op mijn zestiende kwam een einde aan die lange fietsritten toen ik na de scheiding van mijn ouders naar Oldenzaal verhuisde. Ik arriveerde er als atheïst, dat begrijpt u. En mijn moeder? Mijn moeder is door het feminisme en de schandalen haar katholieke geloof ook allang kwijt. En als ik over die lange fietsritten begin, zegt ze: “Maar je bent er ook niet slechter van geworden.” Ach, misschien is dat ook wel zo, mam.

 Jacobuscollege

P.S.: Voor de vertaling van dit stukje in het Duits vroeg ik Manfred wat de vertaling van ‘een moetje’ is. Hij appte terug: Es gibt eine witzige Umschreibung: ‘Er hat eine gefüllte Praline geheiratet. Es war also eine Pralinenhochzeit’. Dus eigenlijk ga ik door het leven als een heerlijke bon-bon-vulling! (Dit keer geen reacties, graag!)