In deze tijd word je teruggeworpen op jezelf. Geen handenschudden, contact op afstand, onherkenbaar gemuilkorfde mensen. We hebben veel tijd om na te denken. Waarom dit alles? Wie ben ik? Waar doe ik het voor? Ik moet denken aan Jozef van den Berg.

 Ben en Thijs kijken tv

Het is oudejaarsdag. Beppie is oliebollen en appelflappen aan het bakken in de keuken van ons huis aan de Oude Vriezenveenseweg. Ben en Thijs zijn 3 en 4 jaar oud. Voor hen doe ik de tv aan. Een poppenspeler gaat optreden: Jozef van den Berg die ‘De man met de rode hoed’ opvoert. Binnen enkele minuten word ik ondergedompeld in een voorstelling die niet alleen mijn beide jongens-op-kleuterleeftijd aanspreekt maar ook mij diep in mijn hart, tot in mijn tenen raakt. Hij is één met zijn poppen. Zijn karakters staan voor het leven en lijden van de mens in deze wereld. Mannetje Pluim, mevrouw de Heks en Pietje de Rups zijn wij, zitten in ons allemaal.

Jozef van den Berg maakt voorstellingen voor volwassenen en treedt op over de hele wereld, van Het Holland Festival tot in New York. Zijn intense spel trekt volle zalen, de kritieken zijn lovend.

Jozef van den Berg ontvangt de Hans Snoekprijs 1980 uit handen van minister Gardeniers

In 1988 wordt Jozefs broer Aloys ongeneeslijk ziek. Voor hem speelt Jozef Genoeg Gewacht – Wachten op Godot. Aloys komt enkele keren in rolstoel kijken. In 1989, het geboortejaar van Cas, overlijdt Aloys aan een hersentumor. Twee maanden later staat een optreden gepland in Brussel. Vijf minuten voor aanvang verschijnt Jozef op de bühne en zegt tegen het publiek:

Ik zal nooit meer spelen (gelach van het publiek). U denkt: hij houdt me voor de gek. Hij gaat wel iets doen. U gelooft het nog steeds niet. (gelach van het publiek) Voor mij is het voorbij. Ik zoek de werkelijkheid. Ik kan geen dingen meer zeggen die niet waar voor mij zijn. Ik zeg u allen goeiendag. Mijn theaterleven zit er wat dat betreft op. Ik ga. Het ga u allen goed.”

Jozef van den Berg is op dat moment veertig jaar en zal nooit meer optreden. Hij verklaart dat hij die middag door god geroepen werd en daar gehoor aan gaf. Hij voelde zich als door Zijn Geliefde gekust en had het gevoel iedere keer deze kus op toneel te moéten spelen. En dat kon hij niet meer. Als kind had hij al een hang naar het transcendente. Voor Sinterklaas kreeg hij van zijn moeder een priesterhabijt omdat hij priestertje wilde spelen. Aan deze ambitie kwam een einde toen op twaalfjarige leeftijd zijn vader overleed en hij een jaar later een vriendinnetje kreeg.

In 1991 breekt hij met zijn gezins- en familieleven en gaat wonen in een fietsenstalling in Neerwijnen. Een paar jaar later bouwt hij een kapel in de tuin van een gastvrije dorpsgenoot en waar hij onderdak vindt. Al bijna 30 jaar lijdt hij het leven van kluizenaar op zoek naar Hem en naar zichzelf.

Mijn leven is een levende brief die tot een soort getuigenis komt. We weten heel veel maar het is heel oppervlakkig ook. Je kunt het ook niet met je hoofd; je hart moet het ontdekken. Je moet van je hoofd naar je hart en dat is moeilijk.’

 Zijn kapelletje in Neerwijnen

Inderdaad, wat wij in deze coronatijden meemaken is nauwelijks te begrijpen met ons hoofd, laat staan met ons gevoel. Wie ben ik, wie zijn wij, wat wil ik eigenlijk echt, wat willen wij met de wereld? In het vinden van antwoorden is Jozef van den Berg misschien al een stukje verder dan wij.