Wat zou het geweldig zijn: een voetbalmuseum in Deventer! In de stad van Go Ahead met zijn roemrijke verleden waarvan mijn opa Herman Brilleman deel uit maakte. Te vestigen in de oude bibliotheek aan De Brink. Rondleider zou ik er willen zijn en vertellen over mijn opa die ik zo goed gekend heb en die tot op de dag van vandaag mijn held is. Daarna aan de overkant in café De Heks de dorstige keel smeren en proosten op het leven, geheel in zijn traditie!

Wanneer je de naam Brilleman invoert in Google dan krijgt de in beton geëindigde bokser André Brilleman de meeste hits (Geen familie!!!!). Daarna met stip staat mijn opa, Herman Brilleman; al veertig jaar dood maar met meer vermeldingen dan alle andere familieleden bij elkaar. Hij speelde in de jaren dertig van de vorige eeuw in het kampioenselftal van Go Ahead. Samen met o.a. De Leeuw van Deventer, keeper Leo Halle, werd hij twee keer kampioen van Nederland en meerdere keren Oostelijk districskampioen.

 Tekst bij de foto: 90 jaar geleden: Herman Brilleman scoort tegen Blauw-Wit in de strijd om het nationale kampioenschap. Met een 5-3 overwinning zet Go Ahead een grote stap richting de landstitel, die drie dagen later een feit wordt.

Mannes, zijn officiële voornaam, was op 1 mei 1906 in Deventer in de Korte Davosstraat 2 geboren. In een arbeidersgezin, een rood nest waar mensen het niet breed hadden maar waar hard gewerkt werd en arbeid je een identiteit gaf. Ging Hermans grootvader elke ochtend naar de IJssel om te kijken of er schepen te laden of te lossen waren, zijn vader Ben was geschoold wever bij Ankersmit. Herman zelf had de ambachtsschool gevolgd en werd zandvormer bij Nering Bögel. Voetbal gaf mijn opa de kans om van een dubbeltje een kwartje te worden – in figuurlijke zin. Hij was een bekend persoon in Deventer.

Rijk is mijn opa van het voetbal niet geworden. Betaald werden ze niet. Na het behalen van het kampioenschap van Nederland in 1933 kregen de spelers een fiets aangeboden door een rijke fan, rijwielhandelaar Polak. Maar zijn biertjes betalen hoefde hij niet. En hij lustte ze graag. Als mijn vader als jongeman voor zijn bijbaantje ‘s nachts naar de bakkerij van Koopman liep dan kon het zijn dat hij vader Herman danig onder invloed in de Bloemstraat tegenkwam. Er was weer eens een belangrijke wedstrijd gewonnen.

 Herman met kruiwagen

Toen de oorlog uitbrak, was zijn glorieperiode voorbij – en van Go Ahead ook! Na het failliet van Nering Bögel had hij werk gevonden bij Zendijk Vleesfabrieken, een gewild baantje in oorlogstijd. Hij werd betrapt op het stelen van vlees: het zat verborgen onder zijn ruim bemeten jas. Op staande voet werd hij ontslagen. Nieuw werk vond hij bij de bouw van de Wilhelminabrug. Kruiwagen na kruiwagen met klinkers moesten omhoog geduwd worden. Op een dag zag een bestuurslid van Go Ahead hem zwoegen en zei: Da’s niks veur oe, Herre. De man bezorgde Herman een baantje bij de radio-afdeling van de PTT. Aan het einde van de oorlog drukte Herman radiolampen achterover zodat er geen honger geleden werd in huize Brilleman aan de Bessenstraat 1.

 Persoonsbewijs Ortskommandatur Deventer

 Expeditieknecht vleeschwarenfabriek is doorgestreept en daarvoor in de plaats: tijd. arbeider bij PTT

Mijn opa was – net als zijn zoon Ben en dochter Riky – een lekkere eter. Voor de oorlog was vlees een schaars artikel in arbeidersmilieus. In de jaren zestig werd dat ingehaald en kwamen de kippenpoten, speklappen en karbonades op tafel. En de jus werd niet van onder geschept maar van boven; daar zat het lekkere vet. Op de terugweg van Boegheim aten we altijd patat met een frikandel in cafetaria De Worp. Roken deed hij met passie, het liefst Caballero zonder filter maar ook halfzware Samson. Als hij zwaar verkouden was en neus en keel vol zaten, stuurde hij mij naar Van der Wal Spar op de hoek: “Haal even zware Van Nelle voor me. Daar kan ik alles goed mee los hoesten. Lucht lekker op.”

  PTT-beambte in de jaren zestig, Herman rechts

In zijn vrije tijd was hij vrijwilliger bij speeltuinvereniging De Hoven. Je mocht de speeltuin in als je lid was. Als ik logeerde bij mijn opa en oma dan ging ik er vaak spelen. “Zeg maar dat je van Brilleman de voetballer bent”, zei mijn opa dan. Op een dag bracht hij mij erheen. Een jongen van ongeveer 15 jaar met lang sluikhaar was op doel aan het schieten. “Dat wordt later een hele goeie”, zei mijn opa. “Onthoud je dat ik dit gezegd heb?” Ik: “Hoe heet hij dan, opa?” “Bertje van Marwijk”, antwoordde hij. Opa Herman pochte jaren later dat hij hem ontdekt had.

 Huwelijk op 21 februari 1934

Herman was niet makkelijk. Getrouwd zijn met een gevierd man was voor mijn oma Gerritje van Brakel niet altijd een pretje. Als haar verjaardag op zondag viel dan hadden zij en de visite pech: Herman ging kaarten in het Nöttebeumken – Zondag was zijn vaste kaartavond. Ik voelde dat hij trots op mij was toen ik onderwijzer werd maar van intellectueel gepraat moest hij niets hebben. Als ik onder het vissen zei dat hij het plastic boterhamzakje niet in de IJssel moest gooien vanwege het milieu, dan zei hij niets terug maar wierp even later zijn lege bierfles naast mijn dobber. Mijn vader vertelde dat hij als kind voor zijn leven moest rennen toen hij onder het aardappelpoten de poter niet in het gat légde maar gooide.

Zelf kon ik ook een aardig balletje trappen. Via VOSTA Enschede was ik in Oldenzaal bij Quick ’20 terecht gekomen. Als 17-jarige speelde ik in A1 en kwam hij een keer kijken. Natuurlijk deed ik mijn uiterste best en scoorde als linksbuiten 2 keer. De winnende goal ging in de bovenhoek. Na het douchen zocht ik hem op in de kantine waar hij achter een glas bier met broodje kroket zat. “En wat vond u ervan, opa?”, vroeg ik. “Je had veel meer goals moeten maken”, was zijn antwoord met volle mond. “Maar de tweede goal was toch mooi, of niet opa?”, probeerde ik. “Maar die had niet met links geschoten moeten worden maar met het rechterbeen”, zei hij. Met één teug dronk hij zijn glas bier leeg en zette deze met een klap voor mij neer. Zelf was hij tweebenig.

 Bij het 25 huwelijksfeest van Herman en Gerritje in 1959. Ik tussen mijn moeder en opa in. Naast mijn oma mijn vader en tante Riky.

Uitgaan heb ik van mijn opa geleerd. Van mijn zestiende tot mijn negentiende logeerde ik vaak op De Worp. Hij was inmiddels weduwnaar en woonde aan de Twellose weg. Hij nam mij mee naar Boegheim – later Old Tivoli – waar ik biljarten geleerd heb. Soms reden we naar het Nöttebeumken. In een strak tempo fietsten we over de slingerende dijk richting Terwolde. Op de terugweg namen we het patroon van de dijk over. Opa betaalde voor het arme studentje. Daar was de AOW-er trots op. Dat hij aan het einde van de maand zonder te werken geld op zijn rekening gestort kreeg, voelde als een wonder. Dat had ie aan Vadertje Drees te danken.

“Aai d’r bint dan moi d’r ok wèn”, zei mijn zoon Cas altijd. Dat gold zeker voor Herman. Hij was zich bewust van zijn eenvoudige afkomst maar voor de duvel niet bang. Zo was hij als speler, zo was hij als mens. Opa Herman was ook een charmeur. Als hij zich tussen de mensen begaf moesten de snee in de broek, de schoenen gepoetst en de gladde kin met aftershave besprenkeld. Ook op latere leeftijd wist hij tijdens onze uitstapjes met speels gemak de aandacht van vrouwen op zich te vestigen. Ik was twintig toen ik Beppie aan hem voorstelde. Zij moest hem aanwijzen op een elftalfoto van vroeger maar hij was moeilijk te herkennen: van zijn volle bos krullend haar was niets meer over. Om haar te helpen zei hij: “Zeuk ’t knapste kaerltje mar uut.” Vervolgens wees ze hem direct aan. Het klikte direct tussen hen beiden.

 Het knapste kaerlke: staand in het midden.

Als weduwnaar ging hij niet achter de geraniums zitten. Met zijn Volkswagen kever deed hij boodschappen voor zijn oudere zussen Riek en Fie. ’s Morgens stond hij vroeg op en ging naar het tuindersbedrijf van Gerrit Grooters op de Steenen Kamer: sla, andijvie en Brussels lof oogsten voor de veiling. Betaald werd hij in natura. Vol trots bracht hij de groenten naar dochter Riky in Warnsveld en zoon Ben in Oldenzaal. Bij hen douchte hij. In de laatste jaren van zijn leven werden Beppie en ik soms ook bedeeld. Op 7 januari 1980 kreeg hij een beroerte tijdens het werk op het land. In het ziekenhuis kon de toegesnelde familie nog afscheid nemen. Hij klaagde over koude voeten. De voeten die hem zoveel gebracht hadden in het leven. Hij werd 73 jaar.

Dertien maanden later werd onze zoon Ben geboren. Mijn jongste zoon is naar hem vernoemd: Herman Tom.