Bij mijn huis in Bad Bentheim staat een grafsteen met als opschrift: Simpen Donhuysen 1891 – 1975. Mensen vragen mij: Wie is dat? Waarom staat de steen hier? 

Het is de grafsteen van mijn oma van mijn moeders kant. Zij is mijn Indische oma van wie ik (vroeger) mijn bruin-zwarte haren had waar mijn tantes graag de vingers doorheen lieten gaan. Mijn oma met haar saroeng kebaja en het knotje in haar haar. Mijn oma die niet kon lezen en schrijven en door het historische noodlot in Nederland terecht kwam. Mijn oma die gebrekkig Nederlands sprak maar voor wie ik een onvoorwaardelijke liefde voelde. Mijn oma door wie ik afstudeerde op de Indië-kwestie. Mijn oma door wie mijn kinderen Ben, Thijs, Cas, Lies, Fleur en Tom een mooi bruin tintje hebben. Wie was zij? Hoe komt haar grafsteen in Bad Bentheim terecht?

 Henricus Wilhelmus Donhuysen en vrouw Simpen, zoals het in het huwelijksdocument staat.

Donhuysen is de naam van haar man, Henricus. Naar hem ben ik vernoemd. Hij was sergeant-schrijver in het KNIL, het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Begin 20ste eeuw was hij vanuit Asten (Noord-Brabant) richting de Oost vertrokken. Als sergeant-schrijver heeft hij onder Colijn gediend die opstandige gebieden pacificeerde (eufemisme voor opstanden met grof geweld neerslaan), waaronder Atjeh op Sumatra. Later werd mijn opa naar de garnizoensplaats Klaten op Java overgeplaatst waar hij mijn oma ontmoette. Ze was een inlandse, de dochter van een boer uit de dessa.

 Mijn oma en opa (rechts) voor hun woonhuis in Bandung, het geboortehuis van mijn moeder.

In 1914 trouwde hij haar. In de huwelijksakte staat: de inlandse vrouw Simpen, geboren te Klaten, oud naar aanzien 23 jaar. Ze kon niet lezen en schrijven. Voor de huwelijksceremonie hadden ze al kinderen, Piet en Anna. Dat hoorde zo: als soldaat kreeg je eerst kinderen bij je inlandse geliefde om te bewijzen dat je het serieus meende. Mijn moeder Netty was de jongste van 11 kinderen.

 Naambordje van huis in Bandoeng

Net als mijn moeder zijn veel Indische mensen verbitterd. Voor de oorlog hadden Nederlanders en Indischen een paradijselijk leven op de Insulinde. Als kind van een Nederlandse soldaat of ondernemer behoorde je tot de upper class. Het was een soort apartheidsregime waarbij je beroep en sociale status afhingen van de mate waarin je blank was: de laagste blanke stond boven de hoogste inlander. De Nederlands(-Indische) families hadden een vrijstaande woning, baboes (dienstmeisjes) en een tuinman. Echter na de oorlog en de onafhankelijkheid van Indonesië werden zij met terugwerkende kracht gezien als bezetter en profiteur. Terecht natuurlijk, maar gevoelsmatig moeilijk te begrijpen en te accepteren voor Indische mensen, zoals mijn moeder. De Jappen en later de pemoeda’s hebben haar jeugd afgenomen.

 Mijn moeder als jong meisje

Met de inval van de Japanners kwam er een abrupt einde aan het comfortabele leventje van Nederlanders en Indische mensen. Mannen en jongens gingen in werkkampen. Mijn moeder herinnert zich dat vader Henricus opgehaald werd en om in krijgsgevangenschap te gaan. In een auto werd hij weggevoerd en zwaaide door de achterruit. Mijn moeder zou hem nooit meer terugzien. De vrouwen en kinderen moesten naar de Jappenkampen waar zij van hot naar her gesleept werden. Sommige Nederlandse vrouwen leerden daar pas koken. Mijn oma wist zich aardig te redden als inlandse boerendochter. De jacht naar eten was allesoverheersend, de appèls in de brandende zon onverdraaglijk en de openbare martelingen mensonterend. In kamp Tjideng ondergingen zij de wreedheden van de maanzieke commandant Kenichi Sonei.

Appèl in kamp Tjideng

Augustus 1945 viel de atoombom en Japan capituleerde onverwacht. De geallieerden waren er nog niet en de Nederlandse KNIL-militairen waren verzwakt of aan het werk in Birma. Vrijheidsstrijder Soekarno riep de onafhankelijkheid van Indonesië uit. Eeuwenlang opgebouwde frustratie leidde tot moord en plundering door Indonesische jongeren (pemoeda’s). Nederlanders, Indischen en Chinezen werden het slachtoffer. De (Indische) Nederlanders verlieten de Jappenkampen maar hun huizen waren bezet door Indonesiërs en op straat was het onveilig. De Indonesische familie van mijn oma had huis en spullen van de familie Donhuysen in bezit genomen. De rollen waren omgedraaid. Mijn oma en haar dochters moesten terug in de kampen om bescherming te zoeken bij de nog steeds aanwezige Japanners.

Nederland wilde niet begrijpen dat de tijd van kolonisatie voorbij was. Rechtse krachten riepen Indië geboren, rampspoed geboren en protestante en katholieke organisaties waren bang (potentieel) christelijke zieltjes te verliezen. Nederlandse dienstplichtigen werden in Rotterdam op het schip gezet richting Indonesië om het Nederlands gezag te herstellen. Vrijwilligers meldden zich aan om te vechten voor volk, koningin en vaderland, waaronder ex-NSB-ers en ex-SS-ers. Bij de politionele acties waren oorlogsmisdaden eerder regel dan uitzondering. Jonge Nederlandse jongens stierven voor een zinloze en onrechtvaardige zaak en werden voor de rest van hun leven getraumatiseerd. De koloniale oorlog wakkerde in Indonesië de haat tegen ‘verraders’ als oma Simpen en haar gezin aan.

 MS Johan van Oldenbarnevelt

In december 1949 werd Indonesië onafhankelijk. Indische Nederlanders werden voor de keus gesteld: of de Indonesische nationaliteit aannemen, of vertrekken. Oom Harrie, de enig overgebleven zoon van Simpen, besloot dat de familie naar Nederland moest verhuizen. Hij bleef, werd Indonesiër en kon zich aan zijn universitaire carrière wijden. Mijn moeder Netty en oma Simpen scheepten zich in februari 1951 in op de Olde Barnevelt en voeren via het Suezkanaal naar het koude kikkerlandje. Via hotel Nol in het Bos in Renkum, hotel De Dikke Steen in Holten en hotel De Moriaan in Deventer kwamen zij terecht in de Nijverheidsstraat (nu Koningsspil 133) in Raalte. In december 1954 werd ik daar geboren. Bij de tafeltennisclub in Deventer had Netty mijn vader Ben ontmoet.

 Mijn moeder en oma in Deventer

Op het moment van aankomst in Nederland was mijn oma 61 jaar. Zij sprak gebrekkig Nederlands en was analfabeet. Maleis praten kon ze alleen met haar dochters en een andere Indische weduwe, oma Panhuizen, die een straat verderop woonde. Ze leefde toe naar de slamatans met haar dochters Anna, Nel, Do, Roos, Nan en Netty. Met echtgenoten en kleinkinderen kwam de hele familie samen in het kleine bovenwoninkje in Raalte. Mijn oma stond dagen van te voren in de keuken. Mijn ooms zaten in de woonkamer, rookten, aten, dronken bier en verhaalden over hun succesvolle integratie. Mijn tantes stonden in de keuken en praatten over de kinderen. Mijn vader fluisterde mij in het oor welke ooms de Indische gewoonte van een bijslaap aangehouden hadden.

               Met oma ‘Pan’.

 Kleinkinderen op familiebijeenkomst om oma Simpen. Ik links van haar.

In 1970 gingen mijn ouders scheiden. Wij woonden inmiddels aan de Rembrandtlaan 149 in Enschede. Mijn moeder was in de ban van het feminisme en wilde haar (school)achterstand ontstaan door de oorlog, inhalen. En dat ging niet samen met een man. Na mijn vaders vertrek trok oma Simpen bij ons in. Ze maakte lumpurs, bakte kroepoek en piedjiette (masseren) me. Als we Bonanza keken, las ik voor haar de ondertiteling hardop voor. Ik was het huis al uit toen ze een beroerte kreeg.  Ze lag een jaar in een Enschedees verpleeghuis voordat ze in 1975 overleed. Hoe oud ze precies was, weten we niet. Haar verjaardag vierden we op een willekeurige datum.

 September 1970: mijn oma komt bij ons inwonen

Mijn moeder woont sinds het overlijden van mijn oma alleen. Zij treedt regelmatig naar buiten om aandacht te vragen voor de positie van Indische ouderen. Daarnaast heeft zij een dagtaak aan bonkar. Door haar kampverleden kan zij niets weggooien. Haar zolder ligt vol met oude en nieuwe spullen. De honderden voorwerpen hebben een etiketje met daarop de namen van haar 2 zonen en kleinkinderen: er mag geen ruzie ontstaan als zij overlijdt. Als ik iets meeneem wat bijvoorbeeld voor mijn zoon Tom bestemd zou zijn dan is het hele evenwicht verstoord en moet alles weer herbestemd worden. Dat heet dus bonkar.

  

Maar wat moest ze met de oude grafsteen van haar moeder Simpen? Te zwaar om naar zolder te dragen en te groot voor haar kleine tuintje. Mijn moeder: Jij bent historicus en hebt een grote tuin in Bad Bentheim. Neem jij hem mee, Ruud. Anders gaat die weg. Nu moet u weten, beste lezer, dat ik ook een tik van ‘de kampmolen’ heb meegekregen. Dat heeft zich o.a. vertaald in mijn interesse in geschiedenis en …. ik kan ook moeilijk iets weggooien! De gedachte dat de grafsteen vermalen zou worden voor wegenverharding, trok me over de streep. Met Manfred Flucht heb ik de steen afgelopen zomer opgehaald.

 Lies met mijn moeder anno nu

Tot mijn moeders verdriet heb ik niet zoveel met het indisch zijn. Het eeuwige gemopper dat tegenwoordig niets deugd en dat vroeger alles beter was; het ja zeggen en nee bedoelen; de praten-is-zilver-en-zwijgen-is-goud-mentaliteit. Nee, dat is niet mijn ding. En haar gekleurde herinneringen stemmen niet altijd overeen met de feiten van een historicus. Het leidt tot vruchteloze discussies. En ik kan geen geduld opbrengen voor steeds dezelfde, moralistische verhalen. Dat kan mijn dochter Lies beter. Zij heeft wél geduld met haar omi. Het moet een generatie overslaan om met een open blik te kunnen kijken en luisteren.

  Met Lies in een betjak

In 2014 ben ik met mijn moeder en Lies naar Java geweest. Het is me daar veel te benauwd en te smerig. Ik voel geen band met het land en de mensen. Ik voel me Nederlander en niet Indisch. Alhoewel: er gaat niets boven extra hete sambal van Koningsvogel en de tjebokfles ontbreekt niet op het toilet!